|
In het middelste reliëf is de adelaar, als symbool van de evangelist Johannes, weergegeven met opengesperde vleugels en in de snavel aan een koord de pennenkoker en de inktpot. In de toten eronder is links een eenhoorn uitgebeeld en rechts een hondachtig monster. Xavier Smits beschrijft het in 1907 zo: 'In het middenborduursel spreidt de adelaar zijne koninklijke vlucht en staart op de zinnebeeldige groepen ter zijden als pendanten aangebracht. In den snavel voert hij den inktkoker, het teeken zijner roeping, om den Evangelist ter zijde te staan bij het schrijven zijner profetie'.106 Mosmans ziet hier 'de wiekende adelaar, is hier de gewone personificatie van den tot onbestijgbare hoogten opgestegen evangelieschrijver'.107 | 75 |
| Noten | |
| 106. | Smits 1907, 192. |
| 107. | Mosmans 1931, 274. |
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 75
|
Onder de middelste toot hangt een wildeman met een lange baard, de handen op merkwaardige wijze in de nek gevouwen. Het onderdeel is sterk aangetast door erosie. | 75 |
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 75
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 293-294
Ronald Glaudemans, Het zuidtransept : Bouwhistorisch onderzoek 2007-2010 (2010) 75
A.M. Koldeweij, De transeptportalen (1983) 46